Veel leerlingen struikelen nog steeds over de zinsbouw van het Engels. Gelukkig hoeft dit geen breekpunt voor je te zijn want als je het door hebt, is het helemaal zo ingewikkeld niet. Omdat je voor jouw examen regelmatig stukken in het Engels moeten schrijven, van brief tot betoog, volgt hier in 6 stappen uitleg over hoe je een goede Engelse zin samenstelt. Ook handig voor jouw vervolgstudie!
Stap 1: De basis
De basis van een goede Engelse zin bestaat uit het Subject (onderwerp), Verb (hoofdwerkwoord) en Object (lijdend voorwerp). Kort gezegd: SVO. Als je dit onthoudt heb je de basis te pakken. Deze volgorde is vast en je kunt er dus niet mee goochelen.
Hoe bepaal je ook alweer het onderwerp, Subject ?
Het onderwerp is wie of wat de actie uitvoert. De persoon die de handeling bepaalt.
Voorbeeld: She read the book.
(Zij las het boek) ‘She’ is degene die las, dus is ‘She’ het onderwerp. Dit staat dus vooraan in de zin.
Dan het werkwoord; je Verb.
Dit is het woord dat aangeeft wat de actie is die uitgevoerd wordt. Soms is dit één woord maar soms ook twee. Dit hangt af van de tijd die je gebruikt want sommige tijden moet je vormen met behulp van het hulpwerkwoord; bijvoorbeeld ‘have’ of ‘be’.
In het voorbeeld She read the book zien we een past simple vorm gebruikt en ‘read’ is het Verb. Dit komt dus na het Subject.
Als laatste hebben we het Object (lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp). Er zijn zinnen denkbaar waarbij je dit kunt weglaten, maar voor de volledigheid is het beter om het lijdend voorwerp wel te noemen in je zin.
Dit vormt het laatste onderdeel van de basiszin en staat achter het Verb.
In ‘She read the book’ is ‘the book’ het lijdend voorwerp.
Het lijdend voorwerp vind je door te vragen wie/wat + gezegde + onderwerp. Hier dus: what did she read? Het antwoord op deze vraag geeft je het lijdend voorwerp.
Stap 2: Tijdsbepalingen en plaatsbepalingen
Wil je iets zeggen over waar de actie plaatsvindt of wanneer de actie plaatsvindt? Dan heb je een tijdsbepaling of een plaatsbepaling nodig. Beide bepalingen komen in principe achteraan de zin. Je kan ze ook helemaal vooraan zetten, maar dat doe je alleen als je er de nadruk op wilt leggen.
Voorbeeld bepaling van tijd: She read the book yesterday. (Zij las het boek gisteren.)
Voorbeeld bepaling van plaats: She read the book on the train. (Zij las het boek in de trein.)
Soms wil je zowel een bepaling van tijd als een bepaling van plaats in je zin zetten. Ook daarvoor geldt een vaste volgorde; namelijk: Eerst de bepaling van plaats en dan de bepaling van tijd. Onthoud dit aan de hand van het alphabet. De ‘p’ komt vóór de ‘t’.
Voorbeeld: She read the book on the train yesterday.
Stap 3: Bijwoorden
Bijwoorden zeggen iets over het werkwoord. Zij geven aan hoe de actie uitgevoerd wordt. De plek van het bijwoord wil nog wel eens wisselen.
Meestal staan de bijwoorden voor het werkwoord. Maar let op: als het hoofdwerkwoord ‘to be’ is, dan komen ze achter het werkwoord. En als er hulpwerkwoorden gebruikt worden, dan komt het bijwoord na het eerste hulpwerkwoord.
Voorbeeld: She slowly read the book on the train yesterday. (Langzaam las zij het boek in de trein gisteren.)
Stap 4: Bijvoeglijke naamwoorden
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord. Dit kan dus je onderwerp zijn, het lijdend voorwerp maar ook het meewerkend voorwerp. De plaats van het bijvoeglijk naamwoord is dan ook voor het zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: She slowly read the beautiful book on the train yesterday. (Langzaam las zij het prachtige boek in de trein gisteren.)
Stap 5: Vraagzinnen
Als je een vraag wilt stellen, dan heb je een hulpwerkwoord nodig. Dit hulpwerkwoord staat helemaal vooraan in de zin. Er zijn twee mogelijkheden:
1: je hebt maar een werkwoord in de zin: het hoofdwerkwoord. Dan gebruik je om een vraag te maken het hulpwerkwoord ‘do’.
Voorbeeld: Did she read the book?
2: je hebt een tijd gebruikt waarbij je om die te vormen al een hulpwerkwoord gebruikt. Bijvoorbeeld in de present continuous. Hier gebruik je al ‘be’ om die tijd te vormen.
Voorbeeld: She is reading the book.
Voorbeeld Vraag: Is she reading the book?
Het hulpwerkwoord verplaatst naar voren in de zin en de SVO volgorde blijft in tact.
Stap 6: Vragende voornaamwoorden
Dit zijn woorden waarmee je gerichte informatie kunt vragen.
- How = hoe
- Who = wie
- What = wat
- Where = waar
- Why= waarom
Deze woorden staan altijd helemaal vooraan in de zin.
Nu heb je de basis van je zinnen te pakken. Denk altijd aan SVO. Dit is de kern en kan niet wisselen in volgorde.
Belangrijk bij het schrijven is dat je zinsconstructies gebruikt die niet al te ingewikkeld zijn. Verzand niet in lange zinnen met veel bijzinnen, maar breek ze liever op in wat kortere zinnen. Dat maakt je tekst vlotter en daardoor ook veel beter leesbaar.