Enige tijd geleden kwam ik in een VMBO examen de volgende vraag tegen:
‘Wie van de volgende personen is niet tegen het verbod op tabaksreclame’.
Op het eerste gezicht lijkt dit wellicht niet een al te ingewikkelde vraag. Maar helaas, het is lastiger dan je denkt. Waarom is dit nu zo lastig?
Ons brein heeft moeite met het woordje ‘niet’. Ga maar na, als ik je zeg dat je niet aan een roze olifant mag denken, wat is dan het eerste waar je aan denkt? Exact, een roze olifant!
We zijn geneigd om ‘niet’ weg te duwen en het tegenovergestelde te doen of denken.
Een voorbeeld: Je bent bij je oma en helpt haar met het uitdelen van de koffie. De koffie wordt geschonken in dat mooie dure koffieservies waarvan je weet dat je oma daar zo enorm aan gehecht is.
Oma zegt: ‘fijn dat je helpt, maar pas op dat je de kopjes niet laat vallen’. Het eerste waar je aan denkt (al dan niet bewust) is het vallen van de kopjes en hoe je je zult voelen als dat gebeurt. Dit zorgt voor een stress reactie in je lijf waardoor je krampachtig omgaat met de kopjes, wat weer als gevolg heeft dat de kans dat er daadwerkelijk een breekt aanzienlijk groter is.
En dat alles door het woordje ‘Niet’!
Zegt oma: ‘fijn dat je helpt, hou ze goed vast’, dan let je ook extra op, maar krijg je een positieve impuls waardoor er minder snel iets mis zal gaan.
Hoe vertaalt zich dit principe nu naar jouw examenvragen?
Het examen tekstverklaren is een leestoets. Dit uit zich ook in de vragen. Deze zijn net zo goed deel van de toets als de antwoorden. De examenmakers toetsen dus ook jouw leesvaardigheid in de vragen die ze stellen.
De moeilijkheid zit hem dus in de negatief gestelde vraag. Bij dit soort vragen lezen we al snel over het woord ‘niet’ heen en lopen we de kans de vraag verkeerd te interpreteren. Bij dit type vragen wordt er dus van jou gevraagd om extra goed te lezen en na te denken wat nu precies de bedoeling is.
Bij de vraag: ‘Wie van de volgende personen is niet tegen het verbod op tabaksreclame’. Onderstreep je eerst de woorden ‘niet tegen’. Dan denk je na over ‘niet tegen’. Dit is een dubbele negatieve vorm en dat maakt een positieve vorm. ‘Niet tegen’ = ‘Voor’ (of ‘Neutraal’). Dit schrijf je er boven. De vraag is dan nu:
‘Wie van de volgende personen is voor het verbod op tabaksreclame’
Deze kleine handeling maakt de vraag een stuk beter te lezen en te begrijpen zodat je gericht op zoek kunt naar het antwoord.
Doe je dit niet, dan blijf je puzzelen met de antwoorden en dat kan je punten kosten en het verspilt in ieder geval kostbare tijd op jouw examen.
De vraag is natuurlijk of dit type vragen het doel niet voorbij schieten. Persoonlijk vind ik van wel. Als het examen meer op een puzzel gaat lijken, dan kun je je afvragen wat je eigenlijk wilt toetsen. De vaardigheid om een raadsel vlot op te lossen, of studenten weten dat een dubbele ontkenning de positieve staat tot gevolg heeft…. Gelukkig komen dit soort vragen niet heel vaak voor, maar ze zijn er wel dus kan je er maar beter op voorbereid zijn.
